|
Natte
Knieën
Ik raad de kippen aan ergens dichterbij het huis onder een struik te gaan zitten en zorg zelf dat ik als de sodedinges binnenkom. Maar eigenlijk moet ik weer naar buiten. De auto in. Of toch maar niet? Eerst maar eens even een kop koffie en een sigaretje voor de schrik. Nee, ik had dit jaar geen goede voornemens. Mijn moeder belt. Of we binnen zijn en binnen blijven. Ja, mam. Ik stel haar gerust. Maar ze kent me en gelooft me niet. Dat ik eerst maar de nieuwsberichten moet luisteren voordat ik besluit de weg op te gaan. Dat van die dennentak hoeft ze niet te weten. Wat niet weet dat niet deert. Zeker in haar geval. Dacht ik een uur geleden dat het allemaal nogal meeviel, langzaam maar zeker raak ik er van overtuigd dat het weeralarm van de KNMI vandaag iets serieuzer te nemen is dan vorige week. Ik lees in een mail dat G ´s dochter in het gebouw op het universiteitsterrein in Utrecht zat waar de wind een kraan op kletterde. Ze is veilig. Alweer een opgeluchte ouder. Ergens anders maken er zich een paar terecht zorgen. Ik besluit mijn afspraak af te bellen. Rond drie uur stap ik in de auto om mijn jongste zoon J.J. van school te halen. Hij is wel wat zwaarder dan een kip, maar steekt ook stukken verder boven de struiken uit. Als een echte moeder sta ik even later tot op het bot nat te worden bij het hek van de school. Samen sprinten we naar de auto. Ik rijd de straat met links en rechts oude dikke bomen - uit en hoor een raar geluid. En nee, het is niet de wind. Rechtsonder krast en kraakt iets verschrikkelijk onder de auto. Fokadok, nee hé. Ik rijd langzaam een stukje verder. Iets met de wielophanging. Nee, de remschijf. Of rijd ik al op de velg door een lekke band? Nog maar een stukje verder rijden. Maar het geluid verontrust me toch wel heel erg. Straks rijd ik de boel nog kapotter dan dat het al is. Op zon moment krijg ik kortsluiting in mijn hersenen. Ik zie de auto al opgetakeld worden en ons al lopend terug naar huis ploeteren door de storm. J.J. kijkt me aan met zijn welbekende ik-weet-het-wel blik en doet zijn mond open op iets te zeggen. ´Stil
eens, anders hoor ik helemaal niks, snauw ik hem toe. Ik
rijd nog een stukje verder maar het geluid wordt alleen maar erger. Wat
zal ik doen? P. bellen? Of de garage? Ik raap mezelf bij elkaar, spring de auto uit en duik er voor onder. Fijn zon verlaagde auto mét spoiler. Dan maar met knieën, haren én sjaal in het water. Tussen de achterkant van de spoiler en het rechterwiel zit een dikke tak klemvast. Pfttt...
wat een opluchting. Na een keer of tien hard trekken breken de kleine
takjes er af en komt er beweging in. Als ik even later als een verzopen
kat weer instap, krijg ik een blik die boekdelen spreekt. |
![]()
|
|
|
|
||
|
|