Metro 26-9-2003

Oordoppen
Huilend en vooral pisnijdig stormde het zesjarige zoontje van mijn vriendin het huis binnen. Hij had het, voor de zoveelste keer, afgelegd tegenover zijn twintig kilo zwaardere en vooral sterkere buurjongen.
Nadat hij zijn machteloosheid had uitgehuild en zijn wonden gelikt, stoof hij weer naar buiten. Vanuit het keukenraam zagen we hem links en rechts om zich heen kijken. Maar zijn vijand was nergens te bekennen, diens jas wel.

Hij stoof er op af, pakte hem op en schudde hem heen en weer zoals een roofdier zijn prooi het leven beneemt. En niet één keer, nee the kill duurde wel een minuut of vijf. Hoezo gefrustreerd. Vervolgens smeet hij de jas op de grond en stampte er nog een ontelbaar aantal keren stevig op om zijn laatste resten frustratie te lozen.
Een duidelijker staaltje oog om oog, tand om een heel gebit had ik lang niet gezien. Met de blik van een overwinnaar kwam de jassenkiller weer binnen. Alsof er niks gebeurd was schonk hij een glaasje prik in en schoof achter de computer.

Wat een opluchting zou het zijn als wij volwassenen onze ellende ook zo van ons af zouden stampen, schreeuwen of tieren (wel liefst in een geluiddichte kamer of het bos). Hoeveel oorlogen, doden en gewonden zou dat per jaar schelen? Iedereen een paar goede oordoppen in plaats van het kwartje van Kok. Dat lijkt me wel wat. Ik heb nog wel een decibel of driehonderd er uit te gooien.

Bij kinderen werkt het vergeldingsmechanisme nog zo heerlijk spontaan. Jij mij meppen? Klets, dan ikke jou. Jij mijn auto kapot maken? Dan stamp ik die van jou aan gort. Gekrijs, geschreeuw en een half uur later zitten ze weer lekker samen te spelen alsof er niks gebeurd is.
Maar ouders bemoeien zich overal mee en dus worden de meeste van ons uiteindelijk keurige volwassenen die - al dan niet onder het juk van een geloof of overtuiging - de beweegredenen van hun vijand begrijpen (ach ja, hij had een slecht jeugd), hun leed opstapelen en moedig maar vooral stilzwijgend dragen.

Toch zijn sommige menselijke mechanismen bijna niet uit te roeien.
Als volwassen mens denk je wel twee keer na voordat je iemands jas midden op straat dood trapt. Dat wil niet zeggen dat we niet allemaal wel eens de neiging hebben om iemands spullen - of erger - kapot te maken.

Maar als geciviliceerd mens onderdruk je die neiging en kweek je gezellig een maagzweer, galsteen, een hoge bloeddruk of een hartkwaal. We gaan nog liever dood dan dat we onze ellende er uitkotsen.

Ook lekker dan lekker is het bedenken van allerlei wraakplannen. Je schrikt ervan wat er allemaal uit een gekwetst brein kan ontspruiten. In dat geval staan er gelukkig vaak een heleboel praktische bezwaren tussen droom en daad.

Ik herinner me een vriendin die er een dagtaak van maakte om te bedenken wat ze haar ex allemaal kon aandoen. Als ze wilde. Alleen de gedachten aan die macht was - gelukkig voor hem - voldoende om haar frustratie op den duur te koelen. Ze kwam uiteindelijk niet verder dan, in het holst van de nacht, secondelijm in het slot van zijn voordeur spuiten. Wat ze natuurlijk wel zo timede dat ze, vanuit een veilige schuilplaats, getuige was van de uitwerking van haar daad. Wraak is zoet.



andere metro columns ------------ Home
----Geef je commentaar