|
Adoptiekind,
zorgenkind?
(uitgebreide informatieve versie) (door Ria Kerstens) Dát er adoptieleed is, valt niet te ontkennen. Dat blijkt alleen al uit de reacties op een oproep op diverse adoptieforums op internet. "Het wordt zeker weer zo'n negatief verhaal over adoptiekinderen met hechtingsstoornissen", is de veelgehoorde reactie. En inderdaad, in de gesprekken met adoptieouders die willen praten over opvoedingsproblemen komt het gesprek in alle gevallen op deze stoornis uit. Adoptiekinderen reageren 'achterom' via de mail met de mededeling: 'Ouders praten liever niet over de opvoedingsproblemen rondom adoptie.'" Stefanie (28) was bijna een jaar oud toen ze uit Bangladesh bij haar adoptieouders in Nederland terecht kwam: "Ik ben op 16-jarige leeftijd uit huis geplaatst. In die tijd heb ik twee jaar geen contact gehad met mijn adoptieouders. Een adoptiekind heeft een bepaalde achtergrond die onbewust altijd een bepaalde rol speelt. Ouders kunnen zich in de cultuur verdiepen, maar dat betekent nog niet dat zij hun kind kunnen begrijpen. Wat je meemaakt in de eerste fase van je leven, draag je de rest van je leven met je mee." Allereerst
wat onderzoeksresultaten: Volgens Femmie Juffer, bijzonder hoogleraar adoptie aan het Adoptie Driehoek Onderzoeks Centrum van de Universiteit van Leiden, hebben 15 tot 25 procent van alle geadopteerde kinderen in Nederland (tijdelijk) problemen. Dat zou betekenen dat zeker 75 procent zonder al te veel moeilijkheden door het leven wandelt. "Die
officiële cijfers, daar geloof ik niet zo in", zegt Hans 't
Hart, secretaris van de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek
Adoptie (LOGA) "Er zijn ontzettend veel ouders die zich schamen om
de problemen naar buiten te brengen en die ze daarom zelf proberen op
te lossen. Al deze gevallen, en ik ken voorbeelden te over, worden niet
in de onderzoeken meegenomen." Marianne (39) reisde in 1989 naar Brazilië af om haar dochter Gabriela van twee weken oud op te halen. "We waren niet op de hoogte van het hechtingsprobleem. Achteraf gezien begon het al toen ze 6 jaar was. Vanuit school kwamen er opmerkingen dat ze slecht kon invoelen naar andere kinderen. Later begon het wegnemen van geld, liegen, het opzoeken van conflicten, agressief gedrag, geen (seksuele) remmingen en mensen tegen elkaar uitspelen. We begonnen in mei 2000 met het zoeken naar hulp, want de problemen die we thuis hadden liepen uit de hand. We dachten op tijd een hulpvraag te stellen, maar toen begon onze lange weg in hulpverleningsland." "Er moet qua hulpverlening een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de laatste tien jaar en de periode daarvoor", zegt Macky Schouten van de Nederlandse Adoptie Stichting, zelf moeder van twee adoptiekinderen (2 en 4 jaar) uit Midden-Amerika: "De laatste tien jaar is de zorg en de nazorg stukken verbeterd ten opzichte van de jaren ervoor. Nu worden ouders verplicht een zestal voorlichtingsbijeenkomsten (Via-cursus) te volgen waarin ze goed worden voorgelicht over de 'mitsen en maren' rondom adoptie. Daarnaast kunnen ouders via de Stichting Adoptie Voorziening een Video Interactie Begeleiding aanvragen die zich vooral richt op het eerste jaar van het kind in het adoptiegezin. " Hoogleraar Femmie Juffer onderkent het belang van een goede begeleiding in de eerste fase. "Het lastige voor ouders is dat kinderen soms iets anders uitstralen dan ze eigenlijk willen", zegt ze. "Ze doen bijvoorbeeld heel onverschillig alsof ze geen knuffel nodig hebben als ze vallen en zich pijn doen. Toch zou je dan op de pijn moeten ingaan en ze troosten en helpen. Dus ook als ze dat lijken af te houden. Ook is het soms moeilijk voor adoptieouders om de heel subtiele signalen van adoptiekinderen te zien en te herkennen. Soms heeft een kind het bijna helemaal afgeleerd om contact te maken, bijvoorbeeld omdat er in het kindertehuis niemand aandacht had. Dan moet je goed kijken om te zien dat het kind wel degelijk af en toe naar je kijkt of je aanraakt. Door een instrument als Video Interactie Begeleiding leren ouders beter met hun kind omgaan en het kind zich ook beter aan hen hechten." "Oké, het is beter dan het was en daar kunnen we alleen maar heel blij om zijn", zegt Hans 't Hart van LOGA. "Maar als mensen goed in de problemen komen - en dat kan na één jaar, vijf jaar of negen jaar zijn, dan weten ze de weg niet meer. Bovendien is er maar een handje vol deskundigen in Nederland die de hechtingsproblematiek beheerst. Laat eerst de eerstelijns hulpverlening, zoals de huisarts, maar eens op de hoogte komen van dit probleem. Dáár komen ouders in eerste instantie terecht, díe moet het probleem herkennen."
"Ik kan me iets voorstellen bij de klachten over het tekort aan hulpverlening van ouders met adoptiekinderen in de puberleeftijd", zegt Liliane Waanders van de Stichting Adoptievoorzieningen. "Het is niet altijd even duidelijk waar de nazorg te krijgen is voor kinderen in deze leeftijdscategorie. Bureau Jeugdzorg is niet voldoende op de hoogte van de specifieke adoptieproblematiek, het RIAGG heeft steeds minder aandachtsfunctionarissen en bij vergunninghouders (organisaties die de adoptieprocedures regelen) kunnen deze ouders na al die jaren vaak niet meer terecht. Maar ik denk dat er meer hulpverlening is dan mensen denken, maar dat het niet altijd even duidelijk is waar die gehaald kan worden." Coby, (51) moeder van twee biologisch eigen kinderen en vier adoptiekinderen over haar nu 17-jarige, uit Sri Lanka afkomstige zoon: "Er lag een psychiatrisch rapport met de diagnose: hechtingsstoornis. De maatschappelijk werker legde het naast zich neer en geloofde de verhalen van onze zoon. Dit kind vindt het prachtig dat hij geloofd wordt, wil alleen maar trappen en iedereen van zich afduwen. Hij wil alleen de bevestiging: zie je nou wel, niemand wil mij. Ik ben een weggooiproduct. Het zou adoptiekinderen en ouders enorm veel verdriet besparen als er door de instanties goed mee om werd gegaan." Maria
(15) kwam met 16 maanden uit Colombia. "Adoptie is niet alleen maar
een roze wolkverhaal, het veroorzaakt ook problemen. "Ik kan mensen
slecht vertrouwen en ben bang dat ze me meteen weer laten vallen. De ene
keer ben ik blij dat ik geadopteerd ben, de andere keer weet ik het niet.
Dan heb ik toch het gevoel dat ik hier niet thuis hoor. Dat komt door
de opmerkingen die leeftijdsgenoten soms maken: 'Ga terug naar je eigen
land, zwarte, je hoort hier niet' Ze veroordelen me vanwege mijn huidskleur.
Ik weet niet hoe het in mijn eigen land is en ik weet ook niet of ik het
daar fijn zou hebben gehad. Het is dubbel. En op zoek naar mijn biologische
ouders wil ik wel, maar eigenlijk durf ik het niet. Ik ben bang voor de
dingen die ik te weten kom." Overigens vindt Schouten dat de vraag of adoptie wel zin heeft, los gekoppeld moet worden van de hulpvraag. Schouten: "Ik wil niet ontkennen dat er problemen zijn, maar er is ook het grote aantal gezinnen waarbij alles goed gaat. Deze kinderen zouden anders op straat opgroeien of in een kindertehuis, of überhaupt niet de kans krijgen om op te groeien." "Vooral
van kindertehuizen in ontwikkelingslanden weten we dat die veel te weinig
zorg, aandacht en stimulering bieden aan een kind.", beaamt Hoogleraar
Juffer. "Uit onderzoek blijkt dat adoptiekinderen er sterk op vooruitgaan
als ze het kindertehuis verruilen voor een adoptiegezin. Ze groeien enorm
in intellectuele mogelijkheden, en hun sociale en emotionele ontwikkeling
gaat ook met sprongen vooruit." |
||||