Adoptiekind, zorgenkind?
(uitgebreide informatieve versie)

(door Ria Kerstens)

Dát er adoptieleed is, valt niet te ontkennen. Dat blijkt alleen al uit de reacties op een oproep op diverse adoptieforums op internet. "Het wordt zeker weer zo'n negatief verhaal over adoptiekinderen met hechtingsstoornissen", is de veelgehoorde reactie. En inderdaad, in de gesprekken met adoptieouders die willen praten over opvoedingsproblemen komt het gesprek in alle gevallen op deze stoornis uit. Adoptiekinderen reageren 'achterom' via de mail met de mededeling: 'Ouders praten liever niet over de opvoedingsproblemen rondom adoptie.'"

Stefanie (28) was bijna een jaar oud toen ze uit Bangladesh bij haar adoptieouders in Nederland terecht kwam: "Ik ben op 16-jarige leeftijd uit huis geplaatst. In die tijd heb ik twee jaar geen contact gehad met mijn adoptieouders. Een adoptiekind heeft een bepaalde achtergrond die onbewust altijd een bepaalde rol speelt. Ouders kunnen zich in de cultuur verdiepen, maar dat betekent nog niet dat zij hun kind kunnen begrijpen. Wat je meemaakt in de eerste fase van je leven, draag je de rest van je leven met je mee."

Allereerst wat onderzoeksresultaten:
Zweeds onderzoek uit 2002 wees uit dat adoptiekinderen uit vooral Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen als jongvolwassenen een grote kans hebben op psychiatrische problemen. Bovendien plegen ze driemaal zo vaak zelfmoord als leeftijdsgenoten die niet zijn geadopteerd en hebben ze een vijfmaal zo grote kans om verslaafd te raken aan drugs.
Een ander onderzoek door Dr. Geert-Jan Stams van de Universiteit van Leiden, wees uit dat zevenjarige niet-blanke adoptiekinderen driemaal zoveel gedragsproblemen hebben dan andere kinderen.

Volgens Femmie Juffer, bijzonder hoogleraar adoptie aan het Adoptie Driehoek Onderzoeks Centrum van de Universiteit van Leiden, hebben 15 tot 25 procent van alle geadopteerde kinderen in Nederland (tijdelijk) problemen. Dat zou betekenen dat zeker 75 procent zonder al te veel moeilijkheden door het leven wandelt.

"Die officiële cijfers, daar geloof ik niet zo in", zegt Hans 't Hart, secretaris van de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek Adoptie (LOGA) "Er zijn ontzettend veel ouders die zich schamen om de problemen naar buiten te brengen en die ze daarom zelf proberen op te lossen. Al deze gevallen, en ik ken voorbeelden te over, worden niet in de onderzoeken meegenomen."
De 280 leden die aangesloten zijn bij LOGA hebben een (of meer) adoptiekind(eren) met een hechtingsstoornis. Deze stoornis wordt ook wel 'geen-bodem-syndroom' of 'bodemloos' genoemd en heeft te maken met een breuk in de relatie tussen moeder/ouder(s) en kind.
Volgens allerlei onderzoeken ligt de oorsprong 'meestal' in de eerste jaren van het leven. Hans 't Hart is er van overtuigd dat de stoornis in een heel vroeg stadium optreedt: "Deze kinderen zijn vanaf hun vroegste jaren, zelfs mogelijk tijdens de zwangerschap, emotioneel of lichamelijk beschadigd", zegt hij. "Die beschadiging is een feit en ontstaat niet na aankomst in het adoptiegezin. De stoornis komt ook, zij het minder vaak, voor bij kinderen die niet geadopteerd zijn. Deze kinderen hebben hulp nodig en dat geldt ook voor de ouders. Die worden vaak niet begrepen."
Liliane Waanders van de Stichting Adoptievoorzieningen zet graag een kanttekening bij de overtuiging van Hans 't Hart. "Ik ontken niet dat de voorgeschiedenis van een kind uitermate bepalend is voor de mogelijkheid om weer vertrouwen op te bouwen en zich aan iemand te hechten. Maar soms zijn er ook gebeurtenissen in het verleden van een ouder die het hechtingsproces moeilijker doen verlopen. Ouders die niet over hun rouw zijn heen gekomen van het niet zelf kunnen krijgen van kinderen bijvoorbeeld, kunnen problemen hebben om zich aan een adoptiekind te hechten. Het is niet altijd zo dat alleen de gebeurtenissen in de geschiedenis van een kind een goed hechtingsproces in de weg staan."

Marianne (39) reisde in 1989 naar Brazilië af om haar dochter Gabriela van twee weken oud op te halen. "We waren niet op de hoogte van het hechtingsprobleem. Achteraf gezien begon het al toen ze 6 jaar was. Vanuit school kwamen er opmerkingen dat ze slecht kon invoelen naar andere kinderen. Later begon het wegnemen van geld, liegen, het opzoeken van conflicten, agressief gedrag, geen (seksuele) remmingen en mensen tegen elkaar uitspelen. We begonnen in mei 2000 met het zoeken naar hulp, want de problemen die we thuis hadden liepen uit de hand. We dachten op tijd een hulpvraag te stellen, maar toen begon onze lange weg in hulpverleningsland."

"Er moet qua hulpverlening een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de laatste tien jaar en de periode daarvoor", zegt Macky Schouten van de Nederlandse Adoptie Stichting, zelf moeder van twee adoptiekinderen (2 en 4 jaar) uit Midden-Amerika: "De laatste tien jaar is de zorg en de nazorg stukken verbeterd ten opzichte van de jaren ervoor. Nu worden ouders verplicht een zestal voorlichtingsbijeenkomsten (Via-cursus) te volgen waarin ze goed worden voorgelicht over de 'mitsen en maren' rondom adoptie. Daarnaast kunnen ouders via de Stichting Adoptie Voorziening een Video Interactie Begeleiding aanvragen die zich vooral richt op het eerste jaar van het kind in het adoptiegezin. "

Hoogleraar Femmie Juffer onderkent het belang van een goede begeleiding in de eerste fase. "Het lastige voor ouders is dat kinderen soms iets anders uitstralen dan ze eigenlijk willen", zegt ze. "Ze doen bijvoorbeeld heel onverschillig alsof ze geen knuffel nodig hebben als ze vallen en zich pijn doen. Toch zou je dan op de pijn moeten ingaan en ze troosten en helpen. Dus ook als ze dat lijken af te houden. Ook is het soms moeilijk voor adoptieouders om de heel subtiele signalen van adoptiekinderen te zien en te herkennen. Soms heeft een kind het bijna helemaal afgeleerd om contact te maken, bijvoorbeeld omdat er in het kindertehuis niemand aandacht had. Dan moet je goed kijken om te zien dat het kind wel degelijk af en toe naar je kijkt of je aanraakt. Door een instrument als Video Interactie Begeleiding leren ouders beter met hun kind omgaan en het kind zich ook beter aan hen hechten."

"Oké, het is beter dan het was en daar kunnen we alleen maar heel blij om zijn", zegt Hans 't Hart van LOGA. "Maar als mensen goed in de problemen komen - en dat kan na één jaar, vijf jaar of negen jaar zijn, dan weten ze de weg niet meer. Bovendien is er maar een handje vol deskundigen in Nederland die de hechtingsproblematiek beheerst. Laat eerst de eerstelijns hulpverlening, zoals de huisarts, maar eens op de hoogte komen van dit probleem. Dáár komen ouders in eerste instantie terecht, díe moet het probleem herkennen."


Marianne: "Je kind wordt op een wachtlijst gezet, krijgt na vier maanden een onderzoek, waarvan de resultaten ook weer maanden op zich laten wachten. Na zeven maanden was de conclusie: ze is nu te moeilijk om te behandelen."

"Ik kan me iets voorstellen bij de klachten over het tekort aan hulpverlening van ouders met adoptiekinderen in de puberleeftijd", zegt Liliane Waanders van de Stichting Adoptievoorzieningen. "Het is niet altijd even duidelijk waar de nazorg te krijgen is voor kinderen in deze leeftijdscategorie. Bureau Jeugdzorg is niet voldoende op de hoogte van de specifieke adoptieproblematiek, het RIAGG heeft steeds minder aandachtsfunctionarissen en bij vergunninghouders (organisaties die de adoptieprocedures regelen) kunnen deze ouders na al die jaren vaak niet meer terecht. Maar ik denk dat er meer hulpverlening is dan mensen denken, maar dat het niet altijd even duidelijk is waar die gehaald kan worden."

Coby, (51) moeder van twee biologisch eigen kinderen en vier adoptiekinderen over haar nu 17-jarige, uit Sri Lanka afkomstige zoon: "Er lag een psychiatrisch rapport met de diagnose: hechtingsstoornis. De maatschappelijk werker legde het naast zich neer en geloofde de verhalen van onze zoon. Dit kind vindt het prachtig dat hij geloofd wordt, wil alleen maar trappen en iedereen van zich afduwen. Hij wil alleen de bevestiging: zie je nou wel, niemand wil mij. Ik ben een weggooiproduct. Het zou adoptiekinderen en ouders enorm veel verdriet besparen als er door de instanties goed mee om werd gegaan."

Maria (15) kwam met 16 maanden uit Colombia. "Adoptie is niet alleen maar een roze wolkverhaal, het veroorzaakt ook problemen. "Ik kan mensen slecht vertrouwen en ben bang dat ze me meteen weer laten vallen. De ene keer ben ik blij dat ik geadopteerd ben, de andere keer weet ik het niet. Dan heb ik toch het gevoel dat ik hier niet thuis hoor. Dat komt door de opmerkingen die leeftijdsgenoten soms maken: 'Ga terug naar je eigen land, zwarte, je hoort hier niet' Ze veroordelen me vanwege mijn huidskleur. Ik weet niet hoe het in mijn eigen land is en ik weet ook niet of ik het daar fijn zou hebben gehad. Het is dubbel. En op zoek naar mijn biologische ouders wil ik wel, maar eigenlijk durf ik het niet. Ik ben bang voor de dingen die ik te weten kom."
Mieke (41), moeder van Maria: "We hebben de afgelopen jaren vaak pogingen gedaan om hulp te krijgen, maar die is veel te weinig gespecialiseerd. Ík kan haar gevoel van alleen zijn, van moeten knokken, van in de steek gelaten zijn, niet weghalen. Op haar elfde jaar liep het helemaal mis, toen is ze uit huis geplaatst. Maar er is nauwelijks opvang voor deze kinderen. Ja, in een gesloten inrichting, maar dat is niets meer dan een gevangenis, waar ze niet gespecialiseerd zijn in adoptieproblematiek. Nu is ze al weer twee jaar thuis en gaat het redelijk goed. Als Maria straks achttien is, stopt de jeugdhulpverlening. Dan moet ze het helemaal zelf doen, kan ze nergens meer op terugvallen."
Adoptieouders met heel jonge kinderen worden geconfronteerd met weer andere problemen. Nancy (35) en haar man Marc hebben een dochter van drie uit Guatemala en wachten al maanden op de komst van het biologische zusje. Nancy: "Van mij mag er best dieper op de problematiek worden ingegaan. Het zou goed zijn als er meer verteld wordt over de eerste periode nadat je kindje is gearriveerd. Je hebt geen kraamtijd, geen begeleiding, je moet alles zelf uitzoeken. Je kunt bij het consultatiebureau terecht, maar dat moet je wel zelf initiëren. Daarom zou het goed zijn als er ook een vervolgbijeenkomst was waar ouders terecht kunnen op het moment dat hun kindje daadwerkelijk is gearriveerd."

De Nederlandse Adoptie Stichting pleit om die reden voor regionale adoptieconsultatiebureaus. Macky Schouten: Tussen de VIA-cursus en het moment dat ouders een kind in handen krijgen, ligt soms wel twee of drie jaar. In die eerste periode zijn er veel vragen. Bijvoorbeeld of een bepaald gedrag normaal is of specifiek voor een adoptiekind. Als je wilt voorkomen dat ouders daar heel verkrampt mee omgaan en dus verkeerd op reageren, moet je een laagdrempelige eerstelijns hulp hebben voor het eerste en misschien wel voor het tweede jaar. Ik ben er van overtuigd dat je op die manier veel problemen kunt voorkomen. Maar het is een centenkwestie, er is niet genoeg budget voor. De adoptiehulpvraag is relatief klein als je die afzet tegen de algemene hulpvraag. Video Interactie Begeleiding is via de Stichting Adoptievoorziening een gesubsidieerde activiteit, waardoor er maar een maximaal aantal plaatsen beschikbaar is. Vol is vol. Deze vorm van begeleiding krijgt door de bezuinigingen straks ook klappen en dat is vreselijk zonde want het is een ontzettend effectief instrument."

Overigens vindt Schouten dat de vraag of adoptie wel zin heeft, los gekoppeld moet worden van de hulpvraag. Schouten: "Ik wil niet ontkennen dat er problemen zijn, maar er is ook het grote aantal gezinnen waarbij alles goed gaat. Deze kinderen zouden anders op straat opgroeien of in een kindertehuis, of überhaupt niet de kans krijgen om op te groeien."

"Vooral van kindertehuizen in ontwikkelingslanden weten we dat die veel te weinig zorg, aandacht en stimulering bieden aan een kind.", beaamt Hoogleraar Juffer. "Uit onderzoek blijkt dat adoptiekinderen er sterk op vooruitgaan als ze het kindertehuis verruilen voor een adoptiegezin. Ze groeien enorm in intellectuele mogelijkheden, en hun sociale en emotionele ontwikkeling gaat ook met sprongen vooruit."

"Heeft adoptie zin? Jazeker", zegt adoptiemoeder Coby. "Natuurlijk vraag je je wel eens af waar je aan begonnen bent als je goed met zo'n kind in de puree zit. Maar zeker drie van onze adoptiekinderen zouden in hun geboorteland nu waarschijnlijk niet meer geleefd hebben. En ja, successtory's bestaan. Met drie van onze adoptiekinderen gaat het goed. Het is geen roze wolk; je moet realistisch met adoptie omgaan. Je haalt het kind van een ander in huis en iedereen ziet dat meteen. Ouders moeten denken: we gaan een kind adopteren, niet we gaan ons huisje-boompje-beestje compleet maken. Je weet niet uit wat voor ouders dat kind geboren is, wat er in de familie voorkomt. Je kunt het niet ruilen als de karaktereigenschappen je niet aan staan. Bovendien zult je nooit en te nimmer iets van jezelf in het kind herkennen. Een adoptiekind moet je gewoon nemen zoals het is."


www.adoptie.nl
www.adoptionresearch.nl
www.adoptietrefpunt.nl
www.bodemloos.com
www.hechtingsstoornis.com
www.loga.info
www.nederlandseadoptiestichting.nl

terug